Omdat ik vanwege een
kinderbijslagfout geld genoeg had, kon ik op mijn
houtsnijwerkblad zowel een
schuifgordijnklampje als een
blokschriftruitjespapierhouderstelling maken.
Eerst moest ik nog een
zakschrijfmachinekleurentypelint kopen en daarbij werd ik vergezeld door mijn
rijkeluistaxhond, die aan
voorlijfkrampzuchtigheid leed.
Daarna ging ik naar de
houtprijsbewakingsafdeling van een
doehetzelfverkoopspullenzaak alwaar ik via een
parterretrap kwam.
Ik kocht achtereenvolgens de benodigde spullen, zoals een paar
neppompmoppen, een
lamellemal,
neppijppen, een
koortsmeetsysteemstrook, en tenslotte ook nog een paar
nepparterrestaalplaatsserretrappen voor mijn strandhuisje. Toen ik weer buiten de
doehetzelfverkoopspullenzaak kwam, stapte ik in een
omgekeerde lord, maar gelukkig had ik wat
vlekkewatervlekkewater bij mij, zodat mijn
broekpakbroek er weer snel
modedom uitzag.
Nu was ik toch nog een
meetsysteem en een
leverdrevel vergeten, dus ging ik weer als een
stormrots naar binnen.
Voor alle zekerheid kocht ik ook nog een
partybabytrap, een
pokkedekkop, een
taalplaat en een
legerregel.
De totale kosten bedroegen een
gardebedrag van de
meeneemspullenprijsopgave.
Kuiten was het boud en ik besloot een kofje koppie te gaan drinken. Later nam ik nog een
halletje gebakt, wat was gebraden in een
kontje bloter.
Op de
koffieshopeikenhoekstoel zat ik een
scheetje beef, maar het lekkere
slaatje bla vergoedde veel. Ik nam nog een
wok slater en toen sprak mij een
weleerpaardewater mij aan. Hij zat te
braken en te heien. Het stond voor mij meteen als een
Waal boven pater vast dat hij zich als een
pad in een vreemd kakhuis voelde, want hij zat daar als het ware
met de baard tussen de stenen, dat was
zakkelijk mat.
Hij zei: "Ik heb een
pauw te kakken" en dat was goed te merken, want hij zat te
suffen en te pissen, maar
tiet op navel. Ik gaf hem wat
woud kater: dat was een
stuiver zaaltje van
medemenslievenheidszorg.
Hoewel hij nog een
schijnpeut kreeg, bleek hij geen
zuggemifter te zijn. Hij wilde nog wel een
botje preken voor de
zwijgende hindermeid, maar met een
stuursok in de hand wenste hij mij een
zielig najaar, waarop hij verdween in de
Paulus Stotterpraat.
Het was me wel opgevallen dat hij geen
dakzoekje gebruikte en steeds aan het
peusneuteren was, maar wie daar op let is een
pusbaal.
Ook ging ik met mijn spullen naar huis en daar aangekomen legde ik mijn
kont aan de hetting en met
verkrachte eenden - het was immers al tussen
dicht en lonker geworden - werden de spullen op mijn
houtsnijwerkblad gelegd. Wat had ik een
pijn in mijn spuitklieren, 't leek wel een
stuiver zaaltje van klont- en mauwzeer, het liep echt de
guisspaten uit.
In het
feletoonboek en in het
postbodekoek zocht ik snel het adres van een fysiotherapeut. Ik mocht meteen komen, maar daarvoor moest ik een
vondelingetje in het wandelpark maken, dat was dus een
rokje blond en met mijn
klote buiten was dat maar niks.
Mijn fysiotherapeut was echter
scheel gehikt en spoedig was ik weer
Joven ban, maar ik mocht van hem alleen
poep en sap eten.
Ik dacht: Aan me
zoenscholen, want ik eet altijd
wat de schat poft.
Door dit alles ben ik niet
koegetomen aan mijn werk, maar wie daar op let is een
nieskoor.
Ik
taal het hierhij, zodat dit
absolaat de luutste zin is.
De Xo.